Van samen denken word je wijzer

Spinoza Deel II - noodzakelijk lijden en -handelen

Dit tweede deel van ‘Spinoza, een inleiding’ gaat over knechtschap en vrijheid. Om te beginnen zal ik nog even kort uitleggen hoe het ook al weer zit met het determinisme en de aandoeningen.

Spinoza zoekt een antwoord op de vraag ‘hoe goed te leven?’. In zijn betoog/onderzoek komt hij tot de conclusie dat een goed leven bestaat uit het leven in overeenstemming met de aard van het wezen. In de mens onderscheidt hij twee wezenlijke aspecten (attributen van god), nl. uitgebreidheid (het hebben van een lichaam, een fysieke ruime innemen, corpus) en geest (met het vermogen om te denken). Deze twee attributen zijn onlosmakelijk met elkaar verweven. Als mens zijn we gedreven om te volharden in ons bestaan en dit openbaart zich in de begeerte ofwel wil. Zowel geest als lichaam (uitgebreidheid) zijn dynamisch. Dit wil zeggen dat ze beïnvloedt worden door krachten van anderen en het andere (in de meest uitgebreide zin van het woord) en dat ze zelf kracht uitoefenen op anderen en het andere (idem). Deze combinatie van krachten wordt door de mens ervaren als een aandoening en hiervan vormt hij zich een beeld. Spinoza noemt dit de verbeelding. Bovendien kan hij deze beelden onthouden. Iedere ervaring (aandoening) met als resultaat een verbeelding wordt veroorzaakt door vele krachten, krachten die zowel in het hier en nu plaatsvinden als die uit het geheugen komen. Het geheel wordt ervaren als iets wat de mens blij, dan wel droevig stemt. Droevig hangt direct samen met de ervaring van ‘aangetast worden in het eigen bestaan’. Blij daarentegen hangt samen met een bevestiging / volharding van het eigen bestaan. Uit deze verbeelding komt dan weer een kracht voort - de wil oftewel de begeerte - die erop gericht is om blijheid te behouden of te vergroten en droefheid uit de weg te gaan of te verminderen. Spinoza heeft een heel pakketje aandoeningen van blijheid en droefheid uitgewerkt aan de hand van bekende menselijke emoties.

Deze wil/begeerte geeft ons de indruk dat we doelstellingen hebben, dat we iets willen bereiken. Het lijkt er dan dus op dat we iets te willen hebben. Volgens Spinoza is dit beeld op onszelf een waanidee (inadequate verbeelding). Onze aandoeningen bepalen namelijk wat we willen, we worden volledig door onze aandoeningen en door onze verbeelding (adequaat of niet) geleidt. We kunnen als mens helemaal niets initiëren, we kunnen alleen maar gehoor geven aan onze aandoeningen en het wezen (geest en uitgebreidheid) van ons bestaan. Al onze activiteiten vloeien noodzakelijk voort uit wie we in wezen zijn (geest en uitgebreidheid) en door wat ons wordt aangedaan (onze aandoeningen). Alles vormt zodoende een oneindige reeks. Een reeks die overigens geen begin en geen einde kent, ze kent alleen noodzakelijkheid.

Dit wil overigen niet zeggen dat in de idee van Spinoza geen ruimte is voor vrijheid. Want die is er wel degelijk. Het is natuurlijk wel begrijpelijk dat ook deze vrijheid een noodzakelijkheid kent. Ze heeft dus een heel specifieke vorm. Spinoza gebruikt min of meer twee omschrijvingen bij zijn idee van vrijheid. Als eerste ziet hij vrijheid als noodzakelijk handelen. Ten tweede is vrijheid leven krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard.

Noodzakelijk handelen staat tegenover noodzakelijk lijden. Beiden zijn noodzakelijke gebeurtenissen, omdat ze voortkomen uit onze aandoeningen en onze aard (geest en uitgebreidheid). Handelen veronderstelt echter dat we inzicht hebben in onze aandoeningen, dat de verbeelding die we hebben adequaat is. Bovendien veronderstelt het dat we ook stap twee en drie van het denken hebben vervolmaakt. Dat ons denken dus rust op de ratio en dat we beschikken over intuïtieve kennis. Pas wanneer dit plaatje compleet is, en er uit vanuit al de krachten die hieruit voortkomen een wil ontstaat betreft het een vrije, maar noodzakelijke handeling.
De tweede uitleg is eigenlijk precies hetzelfde. Het is onze aard om geest en uitgebreidheid te zijn. Onze aard kenmerkt zich door de dynamiek van de krachten die van onszelf uitgaan en die vanuit de wereld om ons heen ons raken. Tevens ligt het in onze aard om op drie manieren onze geest te gebruiken. Wanneer we hier dus allemaal ‘gehoor’ aangeven en we ons hier dus door laten leiden en dit dus in zijn geheel begrijpen zijn we dus vrij.

Een mens lijdt dus noodzakelijk wanneer hij inadequate voorstellingen heeft, wanneer hij zijn ratio niet gebruikt, en waneer hij geen inzicht heeft in alle de eenheid van zijn zijn met de natuur (god). De complexiteit van het geheel aan aandoeningen, de moeilijkheid van de het leven volgens de rede (ratio) en het moeilijke inzicht in de eenheid van alles, maakt dat het eigenlijk niet mogelijk is om noodzakelijk te handelen. Ons rest niets anders dan noodzakelijk lijden. Ook Spinoza realiseert zich dit. En hij vraagt zich dan ook af wat is een heilsweg waard als die zo zeldzaam is dat vrijwel niemand die kan begaan.

Toch ziet hij het niet helemaal donker in. Hij realiseert zich weldegelijk, maar dat is ook het doel van zijn werk, dat "hoe meer iemand dus in de intuïtieve kennis uitblinkt, des te beter zal hij zich bewust zijn van zichzelf en van God, dat wil zeggen des te volmaakter en gelukkiger hij zal zijn.” We zullen het doel dan wellicht niet bereiken, maar het is de moeite waard om op weg te gaan.
blog comments powered by Disqus

We plaatsen cookies, zo min mogelijk en geanonimiseerd.