Van samen denken word je wijzer

distributieve rechtvaardigheid

Hoe kun je dat-wat-er-is op een eerlijke manier onder alle mensen verdelen? Dit vraagstuk staat centraal in het denken over distributieve rechtvaardigheid. Is het rechtvaardig (of eerlijk) dat de ene mens meer heeft dan de ander? Zijn er grenzen aan het (verkrijgen van) bezit? Het gaat natuurlijk niet alleen om bezit, maar ook om zaken als onderwijs, zorg, vrijheid en vrijheid.

Er zijn nog al wat verschillende uitgangspunten om dat-wat-er-is te verdelen. Deze verschillende uitgangspunten zijn ook terug te vinden in de verschillende politieke stromingen. In het kader van de aankomende verkiezingen staat deze maand in Filos deze distributieve rechtvaardigheid centraal en hoe de verschillende Nederlandse partijen hierover denken. Om nu te voorkomen dat we in een politiek debat uitkomen zijn de partijen die gebruikt zijn voor de invulling van deze avond willekeurig genummerd. Als uitgangspunt gelden het verkiezingsprogramma en eventueel, indien een partij dit op zijn/haar site publiceert, haar uitgangspunten of grondbeginselen. In het totaal is gebruik gemaakt van acht partijen. Als bonus op de avond is er een verloting van een kleinood voor die persoon die weet welke partij bij welk nummer nummer hoort.

De verschillende vormen van distributieve rechtvaardigheid zijn:
* Strict egalitarisme
* Het principe van verschil
* Het principe van bevoordelen
* Het verdelen van geluk
* Het verdelen van welzijn
* In de woestijn in alles mogelijk
* Het libertijnse principe

Strict egalitarisme

Het woord zegt het al, dat wat we gaan verdelen wordt gelijkelijk over iedereen verdeeld. Belangrijke vraag is dan natuurlijk: wat gaan we verdelen en hoeveel krijgt iedereen. En als we dit bepaald hebben, dan is het natuurlijk nog de vraag, wanneer krijgt iemand het.
Bij onze partijen komen we bij allemaal we iets tegen wat gelijkelijk over iedereen verdeeld wordt. De vorm en de voorwaarden kunnen echter wel verschillen.
Zo zien we dat ze allemaal zorg, sport en onderwijs egalitair willen verdelen. Zo wordt er door partij 1 en partij 4 gesproken over gelijke toegang tot zorg en onderwijs gesproken, terwijl de andere partijen spreken over gelijke rechten op zorg en op onderwijs voor iedereen. Wat is het verschil tussen toegang en recht. Je zou kunnen zeggen dat toegang maar een beperkte faciliteit is. De overheid hoeft er alleen maar voor te zorgen dat het beschikbaar is, dat het van een minimale kwaliteit is en dat iedereen er aan kan deelnemen. Wanneer onderwijs een recht is, dan gaat de verantwoordelijkheid van de overheid wellicht veel verder. Als het onderwijs niet passend is, of te ver weg, of niet aansluit dan is de overheid verplicht om hier werk van te maken. Wellicht zou je kunnen zeggen dat een drop-out in het eerste geval geen probleem van de overheid is, omdat de toegang er is maar de scholier / student er geen gebruik van maakt, en dat in het tweede geval de overheid er van alles aan moet doen om die scholier / student toch aan een diploma te helpen.

Leuk aspect hierbij is ook dat dit verschil tussen recht en toegang misschien ook terug te vinden is in het standpunt betreffende ‘geld om te studeren’. Moet is een basisbeurs voor iedereen zijn, of een mogelijkheid voor iedereen om tegen een gunstig tarief te lenen? De basisbeurs past bij een recht, de mogelijkheid om te lenen bij toegang tot.

Partij 6 spreekt over gelijke kansen voor iedereen. Het is met name het onderwijs dat dit moet helpen realiseren. De gelijke kans die er voor iedereen is, is dan een resultante van onderwijs. We hebben hier dan te maken met bruggetje naar het principe van verschil, het principe van bevoordelen en wellicht zelf het verdelen van geluk, maar hierover later meer.

Er is ook een partij, te weten partij 8 die staat voor een gelijke verdeling van de macht. Op alle plekken waar mensen samenkomen en/of samenwerken, in welke vorm dan ook, moet de macht gelijkelijk verdeeld worden over alle betrokken, vaak de burgers of participanten.

Andere vormen van strict-egalitarimse zijn de AOW en de kinderbijslag. In de huidige verkiezingen zijn er ook een paar partijen die het hebben over een basisinkomen voor iedereen. Partij 2, partij 5 en partij 7 zien een gelijk basisinkomen voor iedereen als een goede verdeling van dat wat is. Partij 5 vindt dit alleen nodig voor mensen die geen werk hebben. Vergelijk ook de bijstandsuitkering die we nu al kennen. Niemand van deze partijen staat overigens voor dat iedereen een gelijk inkomen moet hebben. Het gaat vooral op een start inkomen en mensen zijn vrij om hier zelf extra geld aan toe te voegen door werk of groei van vermogen.

Vlak tax is in de basis ook een egalitair systeem: iedereen betaald evenveel belasting. De vraag is dan natuurlijk is dit een absolute waarde of een relatieve waarde: gaat het om hetzelfde bedrag of om eenzelfde percentage? Menigeen zal zeggen: eenzelfde percentage.

Bij onze partijen zien we nog een vorm van egalitarisme terug, namelijk in relatie tot werk en inkomen. Gelijk werk betekent ook een gelijk inkomen. Het probleem dat deze partijen willen oplossen is de ongelijke beloning tussen seksen, leeftijd of arbeidsvorm (loondienst versus zzp-er). Partij 6 ziet in de constructie van de ZZP-er of de arbeider uit een oost-europees land een vorm van uitbuiting. Dus moet iedereen die in Nederland hetzelfde werk doet hiervoor ook hetzelfde betaald krijgen. Partij vindt het raar dat er verschillende contractvormen zijn en dat dit tot een andere belonging leidt. Ze is van mening dat een andere contractvorm een onrechtmatig verschil is. Partij 1 ziet dat diegene die het werk doet, de zzp-er of de persoon in loondienst, een ongelijk deel van hun verdiensten over houden. Ze leven allebei in een ander belasting klimaat, ook dit is een onrechtmatig verschil, ze doen namelijk hetzelfde. Bijkomend probleem is dat de werknemer in loondienst sociale lasten betaald en de zzp-er niet. De solidariteit in Nederland komt dan onder druk te staan.

Verschil, bevoordelen en geluk

Het principe van verschil, het principe van bevoordelen en het verdelen van geluk liggen heel dicht bij elkaar. Vaak is het niet zo goed te doorgronden welk principe nu leidend is.

Het principe van verschil komt van John Rawls. Dit principe gaat er vanuit dat er verschillen zijn tussen mensen die er eigenlijk niet toe doen. Wanneer je een besluit neemt over zorgkosten dan moet je dat besluit nemen, zonder dat je weet wat de consequenties voor jezelf zijn. Je moet dus vergeten of je zelf man of vrouw bent, ziek of gezond, jong of oud. Het besluit dat je neemt mag niet een specifieke groep in de samenleving onrechtmatig bevoordelen of benadelen.

Bij een aantal partijen wordt dit principe gebruikt om het eigen risico in de zorg te bestrijden. Ze stellen namelijk dat iemand die chronisch ziek is onrechtmatig veel extra kosten heeft, dan iemand die niet chronisch ziek is. De zorgkosten voor een chronische zieke zijn dus altijd veel hoger dan voor iemand die niet chronisch ziek is. Datzelfde kan gezegd worden over ouderen. Ouderen zijn vaker ziek dus hebben zij onrechtmatig meer kosten dan de mensen die niet ziek zijn. Zo wil partij 3 een lager eigen risico en partij 7 en partij 8 wil af van het eigen risico.

Het principe van bevoordelen gaat er vanuit dat er achterstanden zijn die onrechtmatig zijn en dat die weggewerkt moeten worden. Het bekendste voorbeeld hiervan is de emancipatie van vrouwen, waarbij vrouwen extra rechten krijgen om een betere positie te verwerven. Dit principe komen we onder andere heel mooi tegen bij partij 1. Deze partij constateert dat bij werk en inkomen aandacht moet zijn voor het wegwerken van achterstanden voor vrouwen, ouderen, de jeugd, mensen met een beperking en mensen met een niet westerse achtergrond deze ervaren. Dus voor iedereen behalve de westerse man. De manier om dit weg te werken is door ze te bevoordelen waardoor extra mogelijkheden of extra kansen ontstaan.

Het verdelen van geluk ligt hier heel dicht bij. Alleen het uitgangspunt is iets anders. Dit principe gaat er van uit dat de situatie waarin je geboren wordt/bent, volstrekt willekeurig is en dat je dus pech of geluk kunt hebben. Kijkend naar de wereld kun je bijvoorbeeld stellen dat je, wanneer je geboren bent in Nederland veel meer kansen en mogelijkheden hebt dan wanneer je geboren wordt in Kenia. Maar ook in Nederland kun je pech of geluk hebben. Zo heb je meer geluk wanneer je geboren wordt in een ‘grachtengordel-gezin’ dan wanneer je geboren wordt in een allochtonen gezin op Zuid in Rotterdam. De kansen voor/van het grachtengordel kind zijn vele mate groter dan die voor het kind uit Zuid in Rotterdam. Waar je geboren wordt, is voor het kind volstrekte willekeur, daar kon het kind niets aan doen. Wanneer je dus dat-wat-er-is op rechtvaardige wijze wilt verdelen dan moet je rekening houden met deze willekeur van geboorte.
Eigenlijk lijkt alleen partij 6 hier op in te spelen. Ze stelt: een samenleving is nooit af. Ze verdient continu onderhoud, om achterstand en ongelijkheid te bestrijden en gelijke kansen voor mensen te scheppen. Ze wil een gelijke start voor iedereen en gelijke kansen van jongs af aan.

Het verdelen van welzijn

Het verdelen van welzijn komen we eigenlijk maar bij twee partijen tegen. Kerngedachte is dat welzijn bepalend is voor de verdeling van dat-wat-is. Er moet dus een antwoord gegeven worden op de vraag ‘wat is nodig voor het welzijn van iemand’. En als iemand dit ontbeert, dan heeft deze persoon daar recht op. Bij partij 7 komen we welzijn als een belangrijk uitgangspunt tegen voor alle politieke standpunten: Hoe minder het bijdraagt aan het vergroten van het welzijn van de één, hoe minder het geoorloofd is om het welzijn van de ander aan te tasten. Deze partij stelt dat samenleven altijd ten koste gaat van het welzijn van anderen, dat kan niet anders, maar dat we ons wel moeten afvragen hoeveel we van het welzijn van de ander mogen opofferen voor ons eigen welzijn.
De vraag is dan natuurlijk: wat is nodig voor welzijn? Is één smartphone genoeg of heb je er drie nodig? Hoeveel leren jassen, tassen en schoenen heb je nodig voor je welzijn? Hoeveel vlees heb je nodig wil er sprake zijn van welzijn?
Het is niet eenduidig vast te stellen wat welzijn is, maar we kunnen er wel met elkaar over nadenken. De bovengrens is dan misschien niet zo duidelijk, wellicht vinden we eerder overeenstemming over de ondergrens. Hoewel: er zijn heel wat onderzoeken naar geluk die hebben vastgesteld dat boven een bepaald inkomen het gevoel van welzijn/geluk niet significant meer toeneemt met de groei van het inkomen dan daaronder.
Ook partij 2 heeft het over welzijn. Deze partij stelt dat de verschillende levensfases verschillende vormen van welzijn kennen. Het welzijn van een gezin met jonge kinderen krijgt op een andere manier vorm dan het welzijn van een gezin zonder kinderen of van een gezin waarvan de kinderen studeren. En het welzijn van ouderen vraagt weer om andere voorwaarden als het welzijn van kinderen. Wanneer we dat-wat-er-is verdelen dan moet die verdeling rekening houden met die voorwaarden.

In de woestijn is alles mogelijk

Dan die woestijn: in de woestijn is alles mogelijk. Dit principe gaat er vanuit dat dat waar een mens recht op heeft louter afhankelijk is van effort die een mens daar zelf in gestopt heeft. Ze gaan er dus vanuit dat als je iets erg graag wilt, dat je dat dan ook voor elkaar krijgt. Hierbij zijn drie uitgangspunten van belang: de bijdrage die ze leveren, de inzet die er voor nodig is en een zekere mate van compensatie.
Het eerste punt, de bijdrage die geleverd wordt, heeft betrekking op de toegevoegde waarde. Mensen moeten worden beloond voor dat wat hun werk aan waarde toegevoegd aan het geheel. Het tweede punt heeft betrekking op de inzet van mensen. Mensen moeten worden beloofd voor hun inzet en doorzettingsvermogen in relatie tot dat wat het opbrengt. En het derde punt heeft dan betrekking op het feit dat mensen zelf hebben geïnvesteerd in tijd en/of geld om dit voor elkaar te krijgen. Mensen moeten worden gecompenseerd voor de kosten (materiaal en immaterieel) de ze maken om de toegevoegde waarde te realiseren.
Als we dit goed doen, zo gaat dit principe er vanuit, dan zal de algemene levensstandaard van alle mensen hoger worden, zal het algemeen welzijn voor iedereen vergroot worden en is er sprake van een sociaal maatschappelijk product.
Waar komen we dit nu tegen bij onze partijen? Het lijkt erop dat we dit alleen tegenkomen bij partij 1 en partij 4. Ook zij stellen dat dat wat een mens realiseert voornamelijk afhankelijk is van de effort die hij er zelf in stopt. Overigens erkennen zo ook dat er zoiets bestaat als talent. Ze zien dat mensen kunnen verschillen in talent en dus ook in de mogelijkheden om bij te dragen aan het sociaal maatschappelijk product.
Overigens is dat sociaal maatschappelijk product een interssant fenomeen omdat dit meer is dan een materieel of financieel product. Sociaal maatschappelijk gaat bijvoorbeeld ook over kunst, cultuur en wetenschap. Het is dus een veel breder perspectief van alleen economie of materialisme.
Overigens is er wel een partij die zich hier expliciet tegen afzet. Deze partij gelooft namelijk niet dat dit principe tot welzijn noch tot een sociaal maatschappelijk product leidt. Dit is partij 7.

Het libertijnse principe

Het lijkt erop dat we dit niet tegenkomen bij de acht partijen die gebruikt zijn om deze verschillende perspectieven toe te lichten. Dit principe kijkt alleen maar naar de wijze waarop iemand iets verkrijgt. Dus hoe eigen je je iets toe van dat-wat-er-is. Eigenlijk wordt er dus niets verdeeld in de strikte zin van het woord. Ieder mens heeft het recht zich iets toe te eigen en het is de manier waarop iemand dit doet wat bepaald of dit rechtvaardig is gebeurt.
Welke regels gelden hier dan voor volgens het libertijnse principe? Dit rust op drie uitgangspunten:
1. Het goed dient op rechtvaardige wijze verkregen te zijn, waarbij arbeid eigendom creëert en wanneer iemand zich iets toegeëigend (door arbeid) dan moet er nog genoeg (en van dezelfde kwaliteit) overblijven voor de rest van de wereld;
2. Er moet op rechtvaardige wijze gehandeld worden;
3. Iets wat niet verkregen noch verhandeld is, is van niemand
Even twee voorbeelden om arbeid en overschot toe te lichten: wanneer ik door middel van noeste arbeid goud weet te delven dan mag ik dat maar in zoverre doen, dat er voor de rest van de wereld genoeg goud (en in dezelfde kwaliteit) overblijft. Wanneer ik als boer water nodig heb voor het besproeien van mijn land en ik hier een distributie- en irrigatie-systeem voor aanleg, dan mag ik maar zoveel van het water gebruiken dat er nog genoeg over blijft voor de andere boeren.
Het tweede punt, de rechtvaardige handel is eigenlijk een praktische afgeleide van de eerste. Immers, geen mens is in staat om door zijn eigen arbeid volledig in zijn levensonderhoud te voorzien. Het lukt een mens gewoonweg niet om autarkisch te zijn.
Bijzonder is wel dat deze vorm van distributieve rechtvaardigheid spreekt over rechtvaardig handelen. Echt handig is het niet om in de uitwerking van een principe hetzelfde woord te gebruiken. Er is dus een specificatie nodig van ‘rechtvaardig handelen’.
Ten aanzien van bezit leidt tot de volgende uitgangspunten: mensen bezitten zichzelf, de wereld is initieel van iemand, iedere mens kan een disproportioneel deel van de wereld bezitten, mits de rest van de wereld daar maar niet slechter van wordt, het is relatief eenvoudig om voor jezelf meer te verwerven dan je voor jezelf nodig hebt, zonder dat een ander daar slechter van wordt, dus zijn een vrije markt, geld en arbeid moreel noodzakelijk.
Je zou kunnen zeggen dat een basis hiervan in ons land aanwezig is. Alleen lijkt het erop dat dit nooit een libertijns begin heeft gehad. Het feodale systeem en de kolonisaties die vooraf gingen aan onze huidige wereld doen geen recht aan deze libertijnse uitgangspunten voor een rechtvaardige verdeling van dat wat is. Ook onze internationale handel lijkt hier niet op te stoelen. Het is wellicht interessant om te kijken hoe onze internationale handelsverdragen scoren op rechtvaardigheid wanneer we ze langs deze meetlat leggen.
Hoe eerlijk is het als arbeiders van het ene land significant goedkoper zijn dan arbeiders uit het andere land, terwijl ze in hetzelfde land hetzelfde werk doen? Hoe rechtvaardig is het dat wij producten uit arme landen toe-eigenen tegen bijzonder laag arbeidsloon? Hoe rechtvaardig is het dat een beperkt deel van de wereld zich het grootste gedeelte van de fossiele brandstoffen toe-eigent? Of, hoe rechtvaardig is het dat een beperkt deel van de wereld zich het grootste gedeelte van het voedsel toe-eigent?

Wie is wie?

Het was een bijzonder avond, vooral omdat we over politiek gesproken hebben zonder polarisatie, debatten en gelijk-hebben en gelijk-krijgen. We hebben onderzocht hoe er op verschillende manieren over rechtvaardigheid gedacht kan worden en geconstateerd dat er niet één waarheid of één vorm van rechtvaardigheid is. De ‘input’ vanuit de verschillende partijen was overigens niet uitputtend en de partijen hebben natuurlijk ook nog hun standpunten over veiligheid en justitie, wat onder andere vormen van rechtvaardigheid valt. Het is dus echt geen totaalbeeld van de politieke partijen.

Oh ja, en wie is nu wie? Welke partij hoort bij welk nummer? Hieronder het antwoord in een plaatje.

wie is wie
blog comments powered by Disqus

We plaatsen cookies, zo min mogelijk en geanonimiseerd.