Van samen denken word je wijzer

Even niets doen

Maandagavond 9 Juli 2012
Waarom moet een mens altijd iets doen, altijd bezig zijn, altijd nuttig zijn? Waarom kunnen we niet niets doen?

Een van de eerste vragen die bij ons op kwam is: wat is iets doen? We gingen op zoeken naar wat iets van niets onderscheidt.
Is lummelen iets doen? is iets voor jezelf doen, iets doen?Al gauw werd het ‘simpel in je levensonderhoud voorzien’ tot ‘niets doen’ betiteld. Dat was niet genoeg iets doen is meer dan dat. Louter bezig zijn, was ook niet genoeg om het als ‘iets’ te betitelen. Hiermee kreeg ‘iets doen’ best een normatieve lading. Iets doen moest (geestelijk) uitdagend zijn, voldoening realiseren en een gevoel van succesbeleving opleveren. Iets doen is dus niet zo maar iets, maar wat iets is, is duidelijk persoonlijk. Onze zoektocht naar het gestelde onvermogen van de mens om (een langere periode) niet iets te doen, verandert zo een vraag waarom een mens niet zonder activiteiten kan die voldoening geven, uitdagend zijn en die een gevoel van succes geven.

Tegelijkertijd wordt hier een kanttekening bij geplaatst, namelijk dat het best vermoeiend is om altijd maar met iets bezig te moeten zijn. Overigens blijkt in vakantie-tijd dat we best wel eens zonder kunnen. We vragen ons af of nuttig bezig zijn (iets-doen) aangeleerd gedrag is, of dat het wezenlijk menselijk is. Het feit dat mensen tijdens de vakantie wel even niets kunnen doen, lijkt te wijzen op aangeleerd gedrag. Het is even geoorloofd en daarna gaan we terug naar de gewoonte, de arbeidsethos: nuttig bezig zijn. Toch zou je ook kunnen concluderen, dat zelfs mensen die niet hoeven te werken voor het geld, toch zoeken naar allerlei vormen om zich nuttig te maken, om uitdagingen te realiseren en graag op een of andere manier zoeken naar succesbeleving.

Tegenover de stelling dat bezig zijn noodzakelijk is voor geluk wordt de stelling geplaatst dat het juist dit bezig zijn is dat ons van het geluk weerhoudt. Om gelukkig te zijn moet een mens juist ophouden met bezig zijn en niets gaan doen. Mensen vluchten in het bezig zijn en verliezen zo het geluk.

Tegenover de stelling dat bezig zijn een intrinsieke drijfveer van de mens is, wordt de stelling geplaatst dat ‘bezig zijn’ een norm van de samenleving is, die aan ieder wordt opgelegd: de arbeids-ethos. Niets-doen wordt gezien als lui en dat hoor je niet te doen, zelfs niet als je niet hoeft te werken voor je geld. Deze ethos is zo vanzelfsprekend dat ze norm is, dat het bijna een taboe is om niets te doen. Lummelen zou dan zo tegen de norm in druisen, dat we het het, al zouden we het willen niet voor elkaar krijgen omdat we ons schuldig gaan voelen. Overigens is het dan zeer goed voor te stellen, dat bezig zijn goed voelt, omdat alleen het bezig-zijn alleen al, zorgt voor goedkeuring en bevestiging van anderen, terwijl lummelen doorgaans geen goedkeuring en bevestiging krijgt.

Vanuit de ervaring met meditatie, waarin het er juist om gaat om niets te doen, is het juist dit niets-doen dat de bevrediging geeft. Hier wordt tegenin geworpen, dat een moment van niets doen, zoals dat met meditatie wordt gerealiseerd juist bestaat naast de vele momenten van iets doen. Iets doen en niets doen zouden samen voor een juiste balans zorgen.

Misschien moet het gevoel van iets doen gezien worden vanuit de noodzaak om de vrijblijvendheid op te heffen. Niets doen is vrijblijvend, iets doen schept verwachtingen en verplichtingen. Zodra je van niets-doen een taak/opgave maakt wordt het niets-doen tot iets, bijvoorbeeld doordat je vier maanden niets wil doen. Alles waaraan je je verbindt krijgt zo een waarde ‘iets’ te zijn. Iets doen wordt dan in relatie gebracht met willen. Een mens kan niet zonder willen en die wil openbaart zich in het iets-doen.
Maar wat wil een mens dan?
Wil een mens erkenning?
Wil een mens financieel gewin?
Wil een mens scheppend bezig zijn, iets maken, iets nieuws doen?
Wil een mens voldoening?

En dan wordt het gesprek even over een andere boeg gegooid: is het verlangen om niets te doen, niet een illusie omdat niets alleen in taal bestaat en niet in de werkelijkheid. Niets een constructie van de mens, die we kunnen bedenken maar niet kunnen realiseren, omdat er altijd iets is. Niets-doen is dan louter een talige aangelegenheid, zonder relatie met de werkelijkheid.

Niets-doen en iets-doen zijn een waarde-oordeel, omdat de iets-doen een positieve waardering heeft die het niets-doen ontbeert. Deze waarde lijkt vooral bepaald door eigen waarderingen en door de waarderingen door anderen. De uitspraak ‘je bent niets aan het doen’ is een veroordeling, geen uitspraak van bewondering. De uitspraak ‘even niets does, wat heerlijk’ vindt zijn goedkeuring in de tijdelijkheid die erin besloten ligt. Waneer je niets-doen als iets doen gaat waarderen, is het niets doen over.
blog comments powered by Disqus